Fiscaliteiten

IMG_0577

Melding vooraf: vanaf 1 januari 2018 houdt CDBconseil op te bestaan. Ik ga vanaf die datum volledig met pensioen. Nieuwe klanten neem ik niet meer aan. Deze site is alleen bestemd voor bestaande klanten voor wie ik nog werkzaamheden verricht. Potentiële nieuwe klanten of mensen met vragen over Nederlands-Franse belasting- en premiezaken verwijs ik naar: www.passepartoutmorvan.com. 

Brochure Pratique 2017 voor Franse aangifte IR 2016

Sinds het begin van deze maand is de Brochure Pratique (de “Elsevier Belastingalmanak” van het Franse Ministerie van Financiën) voor 2017 te raadplegen op en te downloaden van de site van de Franse belastingdienst. Zie:
https://www.impots.gouv.fr/portail/www2/fichiers/documentation/broc… .

De Brochure Pratique 2017 is een uitgebreide almanak (378 pagina’s!) voor de invulling van de belastingbiljetten 2016. De gids volgt de biljetten op de voet en bevat onder meer kopieën van de biljetten, een overzicht van de veranderingen voor 2016 en uiteraard een alfabetisch trefwoordenregister. De gids kan een nuttige aanvulling vormen op de notices bij de biljetten.

Helaas heeft het Ministerie van Financiën besloten om de brochure niet meer op papier uit te brengen maar alleen nog digitaal. Bladeren is dus wat lastig. Wel kun je in de digitale (PDF-)versie zoektermen invullen. Maar je moet natuurlijk wel enige kennis hebben van het Franse fiscale jargon.

Vanaf woensdag 12 april is het digitale loket geopend voor de aangiften over 2016.

De aangiftetermijnen en -voorwaarden zijn:

1. Vanaf een Revenu Fiscal de Référence (RFR) over 2015 (zie je aanslagbiljet van zomer/herfst 2016) van € 28.000 moet je in 2017 verplicht digitaal aangifte doen over 2016 via www.impôts.gouv.fr. Alleen als je geen internet hebt of internet met een slechte verbinding mag je nog op papier aangifte doen.

2. De uiterste data voor indiening/ontvangst zijn:
a. Digitaal:
– départementen 01 t/m 19, dinsdag 23 mei middernacht;
– departementen 20 t/m 49, dinsdag 30 mei middernacht;
– overige departementen, dinsdag 6 juni middernacht.
b. Op papier:
– alle departementen, woensdag 17 mei (uiterste ontvangstdatum door de belastingdienst)
(10 april 2017)

Fiscale woonplaats: de Franse regels

Onder mijn klanten zijn mensen die me melden dat ze feitelijk in Frankrijk wonen maar op papier nog in Nederland. Dat is een situatie die vele jaren kan duren. Een van de redenen daarvoor is het feit dat de Franse fiscus zich naar het schijnt niet al te veel uitslooft om deze belastingplichtigen op te sporen. Men lijkt zich tevreden te stellen met de heffingen over het onroerend goed en over de plus value bij de verkoop van het Franse huis. Toch kan het nuttig zijn om eens te duiken in de Franse regels voor binnenlandse belastingplicht. Binnenlandse belastingplicht in een land houdt in dat in beginsel uw hele wereldinkomen in dat land belast is behoudens in het geval waarin een verdrag de heffing over een inkomensbestanddeel aan een ander land toewijst. Als u fiscaal in Frankrijk woont, moet u daar dus (uit uzelf!) aangifte doen van uw wereldinkomen. Eenieder die hier in Frankrijk ‘onder de radar’ verblijft of werkt, kan na kennisneming van de Franse regels uitmaken of hij/zij gevaar loopt of niet.

De beste beschrijving van de Franse fiscale regels is te vinden in het hierna aangehaalde BOFIP (Bulletin Officiel des Finances Publiques). Een BOFIP is vergelijkbaar met een Nederlands beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën. Een BOFIP bevat een voor de Franse fiscus bindende uitleg van de fiscale wetten, meestal met jurisprudentie. Het in 2016 herziene BOFIP voor de fiscale woonplaats is:
http://bofip.impots.gouv.Franse/bofip/1911-PGP

Ik vat wat highlights uit het BOFIP samen. Naast het hebben van een foyer in Frankrijk en de duur van het verblijf in Frankrijk speelt  de aanwezigheid van zakelijke belangen en/of economische activiteiten in het land een rol. Meer concreet zijn – vrij vertaald – de volgende criteria van belang:
1. Het hebben van ‘son foyer’ in Frankrijk. Onder ‘foyer’ verstaat het BOFIP de plek waar men normaliter woont (‘résidence habituelle’ met een permanent karakter).
2. De vraag of Frankrijk de voornaamste verblijfplaats is (séjour prinicipal). Meestal is hierbij een verblijf van meer dan 6 maanden in een jaar doorslaggevend, maar het hoeft niet! Uitzonderingen zijn mogelijk.
3. Het uitoefenen van een beroepsactiviteit, behalve wanneer die ‘accessoire’ (van bijkomstige aard) is. Bij activiteiten in loondienst gaat het om de plaats waar die worden uitgeoefend, bij activiteiten als zelfstandige gaat het om de vraag of er in Frankrijk een vast middelpunt, een vaste inrichting of vaste exploitatie is dan wel of het grootste deel van de winst daarvan afkomstig is.

De criteria zijn nevengeschikt. Iemand kan dus in Frankrijk binnenlands belastingplichtig zijn als hij in dit land een economische activiteit uitoefent die niet van bijkomstige aard is en dat dan zonder dat hij hier een woning ter beschikking heeft of hier meer dan 6 maanden verblijft.

De fiscale regels van Frankrijk en Nederland op het gebied van de fiscale woonplaats zijn niet op elkaar afgestemd. De Nederlandse fiscus bepaalt het antwoord op de vraag naar de fiscale woonplaats aan de hand van een wetsartikel dat zegt dat ‘waar iemand woont, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden’ (artikel 4,1 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR)). In de praktijk is volgens de Nederlandse belastingrechter vaak de persoonlijke band met Nederland doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of iemand in Nederland binnenlands belastingplichtig is. Dat is dus een minder afgebakend criterium dan het genoemde BOFIP hanteert. In theorie kan een persoon daarom fiscaal zowel in Nederland als in Frankrijk wonen en in beide landen als binnenlands belastingplichtige aangifte moeten doen. Dat wordt niet opgelost door het artikel over de woonplaatsbepaling in het Nederlands-Franse belastingverdrag. Dat verdragsartikel geldt alleen bij de vraag welk van beide landen een tegemoetkoming of aftrek moet geven om dubbele belasting te voorkómen als daarvoor de woonplaats in de zin van die woonplaatsbepaling in het verdrag van belang is. Het artikel laat de nationale regels over binnenlandse belastingplicht (en dus ook de aangifteplicht) onverlet. Als het verdragsartikel geen oplossing biedt bij dubbele belasting of als geen van beide landen zijn heffingsbevoegdheid over een inkomensbestanddeel wil prijsgeven kan de belastingplichtige de fiscale autoriteiten van Frankrijk en Nederland dwingen tot overleg en tot een beslissing op de vraag welk land de tegemoetkoming moet geven. Maar ook dan geldt die beslissing alleen voor de verdragstoepassing, niet voor de nationale fiscale regels die over de woonplaats gaan.

Tot slot: sinds enige tijd vindt opsporing van verborgen (binnenlandse) belastingplichtigen ook plaats via de Common Reporting Standard (CRS), het informatie-uitwisselingssysteem dat 95 landen een paar jaar geleden hebben afgesproken in de strijd tegen belastingontduiking. Daar spelen ook de banken een actieve rol in zoals iedereen met een grensoverschrijdende tenaamstelling van zijn rekening zo langzamerhand wel zal hebben gemerkt. Ik doel hier op de vragenbrieven die de banken rondsturen aan hun rekeninghouders met een buitenlands adres.
(24 maart 2017)

Uitbreiding mogelijkheid hypotheekrenteaftrek voor eigen woning in Frankrijk: het EU-Hof schuift de Nederlandse 90%-regeling terzijde. Ook van belang voor anderen zonder hypotheek?

Dit bericht gaat vooral over de Nederlandse inkomstenbelasting voor inwoners van Frankrijk met een eigen woning waar een hypotheek op rust. Nederland stelt als eis voor aftrek van hypotheekrente voor de eigen woning in Frankrijk dat 90% van het wereldinkomen in Nederland belast moet zijn. Dat heet kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Zie ook het bericht hieronder: Europese Commissie heeft geen bezwaar tegen NL-90%-regeling. Het EU-Hof heeft in een arrest van 9 februari 2017 die eis van 90% onverbindend verklaard als het gaat om de aftrek van hypotheekrente. Zie  http://www.ndfr.nl/pdf/hvjc283-15.htm. Het arrest gaat over een inwoner van lidstaat Spanje maar de uitspraak geldt EU-breed. Volgens het EU-Hof moet Nederland aftrek van de hypotheekrente verlenen naar rato van het percentage waartegen het in Nederland belaste inkomen deel uitmaakt van het wereldinkomen. Voorwaarde is wel dat in de woonstaat geen inkomen wordt genoten op grond waarvan recht op aftrek van de rente bestaat. Die voorwaarde is in Frankrijk gauw vervuld want Frankrijk kent geen hypotheekrenteaftrek meer (in het verleden wel, heel beperkt). NB Uiteraard moet de Franse hypotheek wel aan alle overige eisen voor aftrek voldoen die de Nederlandse belastingwet ook stelt aan hypotheken van inwoners van Nederland.

Verder lezen:
1. http://www.taxence.nl/fiscaal-nieuws/nieuws/fiscaal-nieuws/eu-hof-a…
2. https://actueel.pwc.nl/belastingnieuws/inkomen/pro-rata-hypotheekre…
3. http://www.fullfinance.nl/uitbreiding-hypotheekrenteaftrek-inwoners…

Commentaar: dit arrest is vooral van belang voor in Frankrijk wonende ABP-gepensioneerden en voor in Frankrijk wonende personen die in Nederland werken. Het ABP-pensioen is immers in Nederland belast in box 1 – behalve voor zover de gepensioneerde een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gehad, bijvoorbeeld in het christelijk onderwijs. De grote vraag is hoe dit arrest uitwerkt voor de Nederlandse heffingskortingen en andere aftrekposten zoals uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek. Ik zie niet in waarom de zinsnede uit het arrest: ‘een lidstaat waarvan de belastingwetgeving de aftrek van negatieve inkomsten uit een woning toestaat’ in rechtsoverweging 56 onder 1) niet zou kunnen worden vervangen door: ‘een lidstaat waarvan de belastingwetgeving een heffingskorting, een aftrek voor uitgaven voor inkomensvoorzieningen of een persoonsgebonden aftrek toestaat’. Het gaat in alle gevallen om een aan een buitenlandse belastingplichtigen geweigerde belastingfaciliteit. Ik denk dus dat de strekking van het arrest veel wijder is dan in de hierboven weergegeven commentaren naar voren komt. Ook degenen zonder hypotheek die in Nederland belasting moeten betalen over bepaalde inkomsten omdat Nederland zich die heffing nu eenmaal in zijn wetgeving heeft voorbehouden, kunnen mijns inziens naar rato van het aandeel van het Nederlandse bestanddeel in het wereldinkomen een beroep doen op bijvoorbeeld de algemene heffingskorting, aftrek voor uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek. Voorwaarde is dan wel dat er geen inkomen in Frankrijk wordt genoten waarop overeenkomstige kortingen en aftrekposten van toepassing zijn. Welnu, ook dat zal vaak gauw in orde zijn: Frankrijk kent bijvoorbeeld geen algemene heffingskorting en geen aftrek voor ziektekosten. Of de Nederlandse fiscus dit ook zo ziet, is de vraag. Wellicht is er weer een arrest van het EU-Hof nodig om deze vragen te beantwoorden. Daarnaast is het de vraag hoe de Nederlandse belastingwetgever gaat reageren op het arrest. Kortom: wordt vervolgd.
(19 februari 2017)

Levensloopuitkeringen: soms onbelast in NL én in FR

Een cliënte van mij – inwoonster van Frankrijk – liep tegen de pensioenleeftijd aan (65 jaar en nog wat maanden). Zij had nog een levenslooptegoed in NL staan, opgebouwd toen ze daar nog woonde en werkte. Haar vraag was wat de gunstigste fiscale afwikkeling zou zijn van het tegoed. Zoals bekend moet een levenslooptegoed opgeheven worden uiterlijk bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd en die datum kwam in zicht.

Gelukkig was ze niet ingegaan op de ‘aantrekkelijke’ afwikkeling die de NL-regering een aantal jaren heeft gehanteerd van een afkoop tegen belastingheffing over 80% van het tegoed. De afkoopsom van een levenslooptegoed door iemand die tegen de pensioenleeftijd loopt, wordt beschouwd als een pensioenuitkering in de zin van het Nederlands-Franse belastingverdrag. Op grond van dat verdrag is een pensioenuitkering (niet zijnde een overheidspensioen) in NL geheel onbelast als de gerechtigde in FR woont. Maar hoe zit het dan in FR? Voor heffing in FR moet een rechtsgrond te vinden zijn in de FR belastingwetten. Heffen alleen op basis van een belastingverdrag kan nooit. Er moet altijd ook een nationaalrechtelijke grondslag zijn. In dit gegeven lagen kansen voor mijn cliënte.

Maar eerst hebben we de NL-heffing teruggevraagd. De bank had 52% loonheffing ingehouden bij de opname. In het bezwaarschrift hebben we verwezen naar een Vraag & Antwoord van de Kennisgroep pensioenen van de Belastingdienst (zie http://www.belastingdienstpensioensite.nl/VA_10-008_v130918.htm). In de slotalinea van voorbeeld 2 wordt de vrijstelling op grond van een belastingverdrag van een levensloopuitkering met de functie van een pensioenuitkering vermeld. Dat was snel geregeld. Het bezwaar werd toegewezen en de 52%-heffing werd gerestitueerd.

Daarna kwam het lastigere Franse traject in de inkomstenbelasting. Ik heb een uitspraak uitgelokt van de Franse fiscus over de belastbaarheid van de opname van het levenslooptegoed. Ik heb eerst de opname van het tegoed aangegeven als pensioen (in lijn met de NL-interpretatie van het verdrag). Nadat de aanslag daarover binnen was, heb ik een bezwaarschrift ingediend. Daarin heb ik betoogd dat de NL levensloopregeling geen in FR erkende gefacilieerde (verlof)spaar- of pensioenregeling was en is. Mijn redenering was dat een storting van een gespaard levensloopbedrag volgens de Franse fiscale wetgeving een ontvangen loonbestandddeel was dat op het moment van storting – toen cliënte nog in NL woonde – de loonsfeer heeft verlaten en vervolgens als spaarrekening deel is gaan uitmaken van het privévermogen (patrimoine) van de levensloopspaarder. Het feit dat NL het gespaarde bedrag bij de storting vrijstelt van loonbelasting en een latente belastingclaim legt op het spaartegoed bij de uitkering regardeert de Franse heffingswetten niet. Ik heb dus om teruggaaf gevraagd van de Franse belastingen en premies over de opname van het levenslooptegoed. Consequent redenerend heb ik wel de rente over het levenslooptegoed alsnog aangegeven voor de relevante (Franse) jaren en heb ik de levenslooprekening voor de jaren vóór de afkoop eveneens alsnog aangemeld als buitenlandse spaarrekening (rubriek 8UU van biljet 2042). Maar de heffing over die rente was peanuts vergeleken bij de heffing over het bedrag van de opname zelf. De Franse inspecteur in Autun heeft mijn redenering gevolgd en het bezwaar toegewezen. Ook de Franse heffingen werden gerestitueerd.

Aldus heeft mijn cliënte het saldo van haar levenslooptegoed kunnen opnemen zonder enige heffing van belasting of premies in Nederland of Frankrijk. Een gevolg van de discoördinatie tussen de belastingwetten van Nederland en Frankrijk. Het is het ouwe liedje: de regeringen van de EU weigeren hun heffingswetten op het gebied van de inkomstenbelasting te coördineren. Vaak heb je daar als EU-burger last van, maar soms – zoals hier – levert dat naast elkaar heen werken een voordeel op voor de burger. In tegenstelling tot wat sommigen denken, zorgen belastingverdragen er niet voor dat er altijd in één land wordt geheven. Ze kunnen geen belastingverplichtingen crëeren, ze kunnen ze alleen beperken in één van de betrokken staten. Een sluitend systeem is het niet. Soms wordt er in twee landen geheven en soms in geen van beide landen zoals in dit geval. Voor de fiscale theorie niets bijzonders, voor de betreffende burger een meevaller.
(13 augustus 2016)

Fout in papieren C- en M-biljet IB 2015

Er is een verschil tussen de papieren aangifte en de digitale aangifte voor de Nederlandse inkomstenbelasting over 2015 op het punt van de kwalificerende buitenlandse belastingplicht (KBB) voor mensen met een laag pensioeninkomen. Het gaat hier om mensen die in Frankrijk wonen maar die ook in Nederland aangifte moeten of willen doen. In het papieren biljet krijgt u het KBB-schap pas toegekend als uw wereldinkomen uitsluitend bestond uit pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering (vragen 29f en 29g van het C-biljet). In de digitale aangifte komen de woorden ‘wereldinkomen’ en ‘uitsluitend’ bij de vragen die hier over gaan niet voor en dat is terecht. Die woorden komen namelijk ook niet voor in de wettelijke bepalingen rond het KBB-schap. Ze zijn een bedenksel van de ontwerper van de papieren biljetten voor 2015. In de wettelijke bepalingen gaat het er alleen om of u één van de bedoelde uitkeringen hebt gehad of niet, onafhankelijk van de vraag of u daarnaast nog ander inkomen had. Door deze fout kunt u met de digitale aangifte ook KBB-er worden als u ander inkomen had naast uw pensioen, lijfrente of soortgelijke uitkering, met de papieren aangifte kan dat niet.

In alle gevallen geldt wel de bijkomende eis dat uw inkomen te laag was om inkomstenbelasting te betalen in uw woonland. Dat is in Frankrijk gunstig met zijn heffing per huishouden en zijn ‘parts’-systeem. Bij een echtpaar met een gezamenlijke ‘revenu net imposable’ van € 27.482 of minder in 2015 voldoen beide partners aan de eis.

Als u al een papieren C-biljet hebt ingestuurd waarin u om de bovenstaande reden ten onrechte niet werd aangemerkt als KBB-er, kunt u een gebruikersnaam en wachtwoord aanvragen of alsnog met DIGID inloggen op uw digitale aangifte. Zie hier: http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/campagnes/landingspaginas/prive/internationaal/internationaal . Na ontvangst van de gegevens of na inloggen met DIGID kunt u dan uw papieren aangifte digitaal overschríjven door de juiste antwoorden te geven op de digitale vragen over uw pensioenuitkeringen.

Bij een reeds ingediend M-biljet (dat alleen op papier bestaat) zult u via een bezwaarschrift KBB-er moeten worden. Zolang u de definitieve aanslag nog niet binnen hebt, kunt u alleen bezwaar maken door een volledig nieuw origineel aangiftebiljet in te dienen dat u eerst weer moet aanvragen. Kopieën van uw eerste biljet met alleen een kleine wijziging worden niet geaccepteerd en gewoon teruggestuurd. Niet leuk en niet gemakkelijk om maar weer eens dat cliché te gebruiken.

Als u nog uitstel hebt voor de indiening, kunt u natuurlijk ook de term ‘uitsluitend’ in het papieren C- of M-biljet negeren, maar dan geeft u strikt genomen een onjuist antwoord op de vraag.

Tot slot een (korte) toelichting voor degenen zich afvragen wat de Nederlandse Belastingdienst in ’s hemelsnaam bedoelt met de term ‘kwalificerende buitenlandse belastingplicht’. Heel in het kort: een KBB-er krijgt meer aftrekposten en heffingskortingen dan een niet-KBB-er. Als KBB-er kwalificeer je voor deze faciliteiten. Het verschil beloopt doorgaans enige tot vele honderden euro’s. De KBB-er in spe moet wel een (Franse) inkomensverklaring laten ondertekenen door de Franse belastinginspecteur. Zie hier: http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/prive/internationaal/aangifte_inkomstenbelasting/inkomensverklaring_2015/vertalingen_inkomensverklaring .

Zie ook het item hieronder: Afschaffing 90%-eis voor laagbetaalde pensionado’s. Een gebraden duif of een dode mus?
(17 juli 2016)

De premies CSG/CRDS over vermogensinkomsten worden weer geheven in 2016.

Op 30 november 2015 heeft het Franse parlement het sociaal plan (PLFSS) voor 2016 aangenomen. In artikel 24 van het plan wordt de bestemming van de premies CSG/CRDS op vermogensinkomsten gewijzigd. De opbrengsten gaan niet langer voor een deel naar de kassen voor de gezinsuitkeringen en uitkeringen bij ziekte, maar uitsluitend naar de kassen voor uitkeringen bij ouderdom en voor de ouderenzorg (FSV en CNSA). Kenmerk van de eerste twee soorten uitkeringen is dat het verzekeringen zijn waarvoor premies worden geheven, terwijl dat bij de uitkeringen bij ouderdom en ouderenzorg niet het geval is. Het zijn een soort bijstandsuitkeringen voor behoeftige en zorgbehoevende ouderen. Het Sociaal Plan is inmiddels wet geworden (met ingang van 2016).

De Franse regering denkt hiermee bereikt te hebben dat de heffing van de premies CSG/CRDS op vermogensinkomsten niet langer onder het bereik valt van het arrest De Ruyter van 26 februari 2015 (C-623/13). In dat arrest werd de heffing van deze premies onrechtmatig verklaard voor zover deze plaatsvindt bij personen die onder een ander stelsel van sociale verzekeringen vallen, zoals het Nederlandse. Ter herinnering: het gaat dan doorgaans om mensen die in Nederland wonen en die hun tweede huis in Frankrijk verkopen waarbij de verkoopwinst (plus-value) wordt belast met (o.a.) de bedoelde premies CSG/CRDS. Daarnaast gaat het om een grote groep Nederlandse inwoners van Frankrijk met een uitkering of pensioen uit Nederland die via het ZIN (Zorginstituut Nederland) bijdragen moeten blijven betalen aan het Nederlandse stelsel van ziektekostenverzekering. Dat zijn de zogenoemde verdragsgerechtigden. Bij hen gaat het (naast de eventuele plus-value) vooral om premies CSG/CRDS over rente-inkomsten, huurinkomsten, levensverzekeringsuitkeringen, lijfrenten en dividenden.

De vraag is of de nieuwe wettelijke regeling wel in overeenstemming is met het EU-recht. Het zou kunnen dat de taak van de twee fondsen FSV en CNSA een voldoende directe en relevante samenhang heeft met de sociale verzekeringsregimes voor ouderdom en ziekte in Frankrijk. Als dat zo is, wordt het zeer wel denkbaar dat Frankrijk net als in het arrest De Ruyter opnieuw zal worden veroordeeld voor deze premieheffing bij elders verzekerden en opnieuw verplicht zal zijn de onrechtmatig geheven premies terug te betalen. Opvallend is hierbij dat Frankrijk het fonds FSV zelf bij de EU heeft aangemeld als sociale verzekering waarvoor de EU-verordening geldt waar het arrest De Ruyter op was gebaseerd.

Het is nu wachten op een nieuwe procedure voor het EU-Hof. Daar heeft de oppositie in het Franse parlement al voor gewaarschuwd. Volg de ontwikkelingen want wellicht moet u (weer opnieuw) een bezwaarschrift indienen voor 2016.
(update: 14 februari 2016)

IMG_3208

Cour d’Appel Bordeaux: arrest De Ruyter over premies CSG/CRDS geldt ook voor verdragsgerechtigden.

Het gerechtshof te Bordeaux heeft een belangrijke uitspraak gedaan over de vraag of verdragsgerechtigden nu wel of niet premies CSG/CRDS moeten betalen over hun vermogensinkomsten (plus value, lijfrenten, huurinkomsten, renten, dividenden). Die vraag was niet beantwoord in het arrest De Ruyter en ook niet in de daarop volgende eensluidende uitspraak van de Conseil d’État. Met verdragsgerechtigden bedoel ik hier inwoners van Frankrijk met een pensioen uit Nederland die sociale bijdragen voor de ZVW en de WLZ moeten betalen aan het Zorginstituut Nederland.

Het antwoord is er nu: volgens het gerechtshof in Bordeaux zijn verdragsgerechtigden net als personen die niet in Frankrijk sociaal verzekerd zijn geen premies CSG/CRDS verschuldigd over hun vermogensinkomsten voor de jaren waarvoor het arrest geldt (2012 t.m 2015).

Zie: http://legifrance.gouv.fr/affichJuriAdmin.do;jsessionid=03ADF36EC47DA8D58DE47049BFB5C5F5.tpdila18v_2?oldAction=rechJuriAdmin&idTexte=CETATEXT000030831970&fastReqId=1357528559&fastPos=248)

Het is zaak bezwaarschriften in te dienen over aanslagen CSG/CRDS uit het verleden. U kunt in ieder geval nog tot eind 2016 bezwaar (laten) indienen over aanslagen premieheffing over 2013. De termijn vervalt namelijk 2 jaar na het jaar waarin de premies invorderbaar zijn geworden. Aanslagen premieheffing over 2013 zijn in 2014 invorderbaar geworden. Voor de belasting over de plus value is 2014 het oudste jaar omdat de premies daarover direct bij de transactie waren verschuldigd.

Aanwijzingen van de Franse fiscus voor de indiening van een bezwaarschrift vindt u in dit persbericht: http://proxy-pubminefi.diffusion.finances.gouv.fr/pub/document/18/20452.pdf.
Het in dit persbericht genoemde bewijs van verzekering kunt u opvragen bij de SVB te Breda. Vraag om een in het Frans gestelde verklaring.
(update: 14 februari 2016)

FIMG_3378ranse rekenkamer kritisch over belastingdienst, afdeling niet-inwoners.

De Franse rekenkamer heeft de afdeling niet-inwoners van de Franse belastingdienst (SIP non-résidents te Noisy-le Grand) doorgelicht. Deze dienst is vooral van belang voor landgenoten die fiscaal in Nederland wonen en inkomsten uit hun tweede woning in Frankrijk moeten aangeven (verhuur, plus-value). Uit het rapport van de rekenkamer blijkt dat de diensten die de SIP non-résidents verleent van geringe kwaliteit zijn (“faible qualité”). Verder zijn de inning en de controle van de belastingen die niet-inwoners in Frankrijk zijn verschuldigd onvoldoende. Deze situatie vloeit voort uit een complexe en breekbare wetgeving en uit onvoldoende professionalisering en specialisatie van de dienst SIP non-résidents. De rekenkamer doet vier aanbevelingen ter verbetering: 1. Snel een programma van verbetering van de dienstverlening invoeren, gebaseerd op een modernisering van de informatievoorziening en de communicatie. 2. Toepassingsregels en instructies voor niet-inwoners sneller publiceren. 3. Meer specialisatie van het beheer van de fiscaliteit van niet-inwoners door een interne reorganisatie. 4. Medewerkers voor inning en controle inzetten die bekend zijn met de bijzonderheden van de fiscaliteit van niet-inwoners en hun ICT-middelen op peil brengen. Bron: www.fiscalonline.fr: Rapport Rekenkamer
(17 mei 2015)

IMG_0595Procedure De Ruyter: bevoegdheid van Frankrijk om premies CSG/CRDS c.a. te heffen over inkomsten van niet in Frankrijk verzekerde personen. Belangrijk nieuws voor tweedehuisbezitters en verdragsgerechtigden.

Op 26 februari 2015 heeft het Hof van de Europese Unie Frankrijk veroordeeld wegens het heffen van sociale premies over vermogensinkomsten van onze landgenoot De Ruyter. De Ruyter woont in Frankrijk, maar is in dienstbetrekking in Nederland. Hij valt daarom verplicht onder de Nederlandse sociale verzekeringen op grond van de EU-verordening (EG) 1408/71. Frankrijk hief echter toch premies CSG en CRDS en andere sociale heffingen tot een totaal van 15,5% over de lijfrentetermijnen die De Ruyter ontving. Frankrijk beschouwde die premies en heffingen als belastingen, of tenminste als heffingen die niet onder de verordening 1408/71 vallen. De Ruyter besteed de heffingen. Hij stelde dat ze wel onder de verordening vallen en dat Frankrijk ze op grond van artikel 13 van de verordening (verbod op dubbele heffing van premies) niet mag heffen.

De Ruyter heeft dus gelijk gekregen van het Hof. Ook al kan niemand rechten ontlenen aan de betaling van premies CSG/CRDS, het blijven premies die dienen om de tekorten in de sociale zekerheid in Frankrijk aan te vullen. Het zijn geen belastingen die buiten de verordening vallen. De Franse regering heeft laten weten dat ze de einduitspraak van de Franse Conseil d’État afwacht. Maar de regering benadrukt dat ze de uitspraak loyaal zal uitvoeren.

Het belang van deze zaak gaat veel verder dan alleen de heffing van 15,5% over lijfrenteinkomsten van iemand die elders sociaal verzekerd is. Het gaat ook en vooral om de heffing van die premies over de plus-value bij verkoop van een tweede woning van inwoners van Nederland in Frankrijk en over de huurinkomsten van zo’n woning. Verder is de verwachting dat de Franse regering ook de heffing achterwege zal laten van dezelfde premies over vermogensinkomsten van verdragsgerechtigden. Die zijn weliswaar sociaal verzekerd in Frankrijk maar ze betalen wel Nederlandse ziektekostenbijdragen (ZVW en WLZ) aan het Zorginstituut Nederland (ZIN).  Die bijdragen betaalt het ZIN door aan Frankrijk. Als de verdragsgerechtigden nu ook via de premies CSG/CRDS moeten blijven bijdragen aan de Franse sociale zekerheid, en met name aan de Franse ziekenfondsen, betalen ze twee keer voor hun ziektekosten. En dat is weer in strijd met andere, oudere rechtspraak van het EU-Hof.

Als u premies CSG/CRDS heeft betaald over uw vermogensinkomsten en u behoort tot één van bovenstaande groepen, is het zaak tijdig en goed gemotiveerd bezwaar aan te tekenen tegen de heffing van die premies.
(19 maart 2015)

IMG_2928Afschaffing 90%-eis voor laagbetaalde pensionado’s. Een gebraden duif of een dode mus?

De 90%-regeling voor buitenlanders in de Nederlandse inkomstenbelasting is inmiddels werkelijkheid geworden. Om in Nederland in aanmerking te komen voor aftrekposten en andere heffingskortingen dan de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting moet 90% van het wereldinkomen in Nederland worden belast. Met een in Frankrijk belaste AOW van ruim € 9.700 (2015) voor een gehuwde is dat al bijna onmogelijk. Je moet dan bijvoorbeeld naast die AOW een in Nederland belastbaar pensioen hebben (een ABP-pensioen bijvoorbeeld) van meer dan 9 maal € 9.700 = € 87.300. Dat zullen niet veel gepensioneerde ambtenaren hebben. Het lijkt dus een faciliteit die alleen voor deze redelijk welgestelde pensionado’s is weggelegd. Dat is het slechte nieuws.

Het goede nieuws is dat de staatssecretaris van financiën – in het voetspoor van een uitspraak van het EU-Hof – de faciliteit nu ook heeft opengesteld voor mensen met een laag pensioen, lage lijfrente of soortgelijke uitkering. De belastingplichtige moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in zijn woonland (in dit geval dus: Frankrijk) geen inkomstenbelasting is verschuldigd. Voor de liefhebbers: de regeling staat in artikel 21bis, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting (UBIB) 2001 (tekst 2015). De 90%-faciliteit wordt hiermee een faciliteit voor de hoge en de lage inkomens onder de gepensioneerden. Een alleenstaande in Frankrijk is in 2015 geen Franse inkomstenbelasting verschuldigd als hij of zij een belastbaar inkomen in Frankrijk heeft van € 13.958 of minder.

Het probleem is echter dat Frankrijk belasting heft per huishouden. De vraag is dus: wat is een ‘geringe hoogte van zijn inkomen’? Bij gehuwden of ‘pacsés’ is er geen hij of zij met een te gering inkomen, er zijn een hij én een zij (of een hij en een hij of een zij en een zij) met een gezamenlijk belastbaar inkomen. Voor 2015 geldt dat een huishouden van 2 gehuwde of gepacseerde partners met een gezamenlijk inkomen van € 26.277 geen inkomstenbelasting betaalt. Maar hoe moet de voorwaarde van de Nederlandse staatssecretaris nu worden opgevat voor deze beide partners? Geldt de faciliteit alleen voor degene met het laagste inkomen (minder dan de helft van € 26.277)? Of mogen we aannemen dat de staatssecretaris het zo genereus heeft bedoeld dat ook de partner met een inkomen van € 26.277 de faciliteiten van de 90%-regeling kan krijgen mits zijn partner een nihil-inkomen heeft? Dat laatste lijkt mij redelijker. Je kunt zelfs nog verder redeneren: bij een echtpaar met een gezamenlijk inkomen van meer dan € 26.277 kan partner A met een eigen inkomen van € 26.277 of minder altijd volhouden dat het de andere partner B is die er de oorzaak van is dat er belasting moet worden betaald. Het enige wat de wettelijke regeling eist, is dat iemand aannemelijk maakt dat hij/zij wegens zijn/haar (eigen) geringe inkomen geen belasting is verschuldigd. De verschuldigdheid is een gevolg van het bijgetelde inkomen van de andere partner B. Maar B kan hetzelfde doen ten opzichte van A bij een eigen inkomen van € 26.277 of minder. In het uiterste geval kunnen in deze redenering twee echtelieden met elk een inkomen van € 26.277 naar elkaar wijzen voor de verschuldigdheid van belasting. Ze zouden dus beiden een beroep kunnen doen op de 90%-regeling. Om voor de praktijk helderheid te krijgen heb ik bovenstaande kwestie voorgelegd aan Belastingdienst Buitenland in Heerlen. Daar geeft men er de voorkeur aan om aan de hand van concrete casus te komen tot een duidelijker beleid. Dit vanwege de veelvormigheid van de buitenlandse belastingsystemen. Dat is begrijpelijk maar wel jammer want nu is er voorlopig geen rechtszekerheid voor de betrokkenen.
(update 9 juni 2016)

Afschaffing verplichte Franse fiscale vertegenwoordiger.

amazing-city-sunset-header-7330 Opgeruimd staat netjes. De verplichte Franse fiscale vertegenwoordiger bij de verkoop van onroerend goed in Frankrijk door niet-ingezetenen van Frankrijk, die wonen in een andere EU-lidstaat of een EER-staat, is afgeschaft. Zie http://www.fiscalonline.com/Plus-value-immobiliere-les-deputes,6901.html . Deze vertegenwoordiger was een tot 2015 verplichte, vertragende en dure tussenschakel bij de verkoop van tweede woningen in Frankrijk. Vaak moest rond 1% of meer van de verkoopsom aan deze tussenpersoon worden betaald en dat voor een zeer magere dienstverlening. De Europese Commissie had Frankrijk voor deze vorm van gedwongen winkelnering in gebreke gesteld. Slapend rijk worden van verkopende EU-burgers is er dus niet meer bij! Nu nog de premies CSG/CRDS van tafel (zie hieronder) en dan ziet het er nog wat rooskleuriger uit voor Nederlanders die hun tweede huis in Frankrijk willen verkopen.
(3 januari 2015)

IMG_3377

Europese Commissie heeft geen bezwaar tegen NL-90%-regeling.

Met ingang van  2015 is het keuzerecht in de Nederlandse inkomstenbelasting voor buitenlandse belastingplichtigen afgeschaft. Dat zal er in een aantal gevallen toe leiden dat fors meer belasting moet worden betaald over Nederlandse inkomsten. De voornaamste oorzaken hiervan zijn: het vervallen van (een deel van) de hypotheekrente-aftrek van de Franse eigen woning huis en het verlies van heffingskortingen. Ook andere aftrekposten kunnen worden verlaagd. Het keuzesysteem wordt vervangen door een systeem waarbij men alleen van aftrekposten en heffingskortingen kan genieten als 90% van het wereldinkomen van u of van u en uw partner tezamen uit Nederland afkomstig is (de 90%-regeling). Er is geen overgangsrecht: uw hypotheekrenteaftrek verdwijnt van het ene (2014) op het andere jaar (2015). Er is wel een matiging van het effect doordat het buitenlandse inkomen (zoals bijvoorbeeld de AOW) ook niet meer in Nederland wordt belast zoals het geval was bij de keuze voor binnenlandse belastingplicht, maar per saldo zal het voor veel mensen een flinke achteruitgang betekenen.

De Belgische vakbond ACV heeft over deze kwestie een klacht ingediend bij de Europese Commissie met de vraag of deze abrupte wijziging wel door de Europeesrechtelijke beugel kan. Veel Belgische grensarbeiders die in Nederland werken, zullen het in hun portemonnee gaan voelen. De Commissie heeft geantwoord dat de klacht geen schending van het EU-recht aan het licht heeft gebracht. Het is dus niet te verwachten dat de Commissie enige actie zal ondernemen. Dat betekent dat belanghebbenden zich zelf voor de Nederlandse belastingrechter zullen moeten beroepen op het EU-recht en dan moeten hopen dat die rechter de kwestie voorlegt aan het EU-Hof te Luxemburg of zelf concludeert tot een strijdigheid met het EU-recht. Daar zijn goede redenen voor want een aantal fiscalisten van naam heeft al geoordeeld dat de nieuwe regeling wel degelijk in strijd is met de jurisprudentie van het EU-hof.
(update 3 januari 2015)